Ze willen het niet écht zien

Waarom Irak-films floppen in de Verenigde Staten

Special / Floortje Smit

Hollywood dacht de tijdsgeest aan te voelen: Amerika zou klaar zijn voor een reeks films over de ‘war on terror’. Immers, steeds meer Amerikanen keren zich tegen Bush’ beleid en met de verkiezingen in aantocht lijkt het tijdstip gunstig voor anti-oorlogfilms. Toch laten de bezoekers het afweten.

Veteraan McCoy zoent zijn vrouw vol op de mond, terwijl zijn vrienden in de kroeg lachen en joelen. ‘Vertel ons eens een verhaal over de oorlog’, roept iemand jolig. ‘Heb je nog iemand vermoord?’ Ja, ja, gaat het in koor. Een oorlogsverhaal!

McCoy lacht en kijkt naar de grond. Dan recht in de camera van zijn vriend. ‘Echt? Wil je echt een oorlogsverhaal horen?’

En dan vertelt hij. Over Irak. Over het gevoel nergens voor te vechten. Over de gruwelijke gebeurtenissen die als snapshots in zijn geest gegroefd zijn. Hoe hij erbij was toen twee mannen van zijn eenheid een 15-jarig meisje verkrachtten en vermoorden, haar familie doodschoten en het huis in brand staken. ‘En ik deed niets om het tegen te houden’, huilt hij tot slot.

Even is het stil. Dan: ‘Hé! Kom op! We vieren de terugkeer van een oorlogsheld!’ En er mag weer gedronken worden.

De scène komt uit Redacted, een van de vele speelfilms die afgelopen jaar zijn verschenen over Irak en Amerika’s oorlog tegen het terrorisme – variërend van een actiespektakel als The Kingdom (Peter Berg) tot een soort verfilmd seminar als Lions for Lambs (Robert Redford). Het Amerikaanse publiek reageert erop zoals de vrienden van McCoy in de bar: ze willen het niet écht zien. De ene na de andere film over het onderwerp flopt.

Eerlijk is eerlijk: dat de films blockbusters zouden worden in de orde van grootte van bijvoorbeeld Pirates of the Caribbean had niemand verwacht. Maar met namen als Meryl Streep, Tom Cruise en Reese Witherspoon op de aftiteling zou een redelijke omzet toch wel gegarandeerd moeten zijn. Bovendien dacht Hollywood de tijdsgeest aan te voelen. Steeds meer Amerikanen hebben zich inmiddels tegen Bush’ beleid gekeerd en met de verkiezingen in het vooruitzicht leek het tijdstip gunstig voor een kritische blik. Matthew Michael Carnahan, die het scenario schreef voor Lions for Lambs en The Kingdom, verklaarde in september nog dat ‘Amerikanen bereid zijn om zich opnieuw bezig te houden met het onderwerp.’

Niet in de bioscoop, zo blijkt.

Het moet vooral voor de filmmakers een bittere pil zijn: ze willen juist tonen wat het doorsnee publiek anders volgens hen niet zou meekrijgen. Kijken is daarbij een terugkerend thema: passief kijken, niet willen kijken en niet langer kunnen toekijken speelt in alle films een grote rol. ‘Of je nu voor of tegen de oorlog bent’, formuleert regisseur Paul Haggis het in de persmap van In The Valley of Elah, ‘je moet onder ogen zien wat er gebeurt met de dappere mannen en vrouwen die we naar Irak sturen.’ In zijn film over een Vietnamveteraan die op zoek gaat naar zijn vermiste zoon, een Irak-ganger, zijn overal televisies aanwezig met nieuwsuitzendingen over de oorlog en toespraken van de president. Maar niemand luistert ernaar.

Gavin Hood laat in zijn Rendition de martelingen in geheime gevangenissen zien door de ogen van een toekijkende CIA-waarnemer en stelt de vraag of dit soort extreme verhoormethodes ooit te rechtvaardigen zijn. Lions for Lambs vermengt lange didactische dialogen tussen mensen die opzichtig symbool staan voor de verschillende groepen die te maken hebben met het buitenlandbeleid van de Verenigde Staten – politici, pers, het leger, de onverschillige en de betrokken burger. ‘We tonen de argumenten van alle kanten’, aldus scenarioschrijver Carnahan.

Dat is iets wat de reguliere media niet doen, is het stokpaardje van regisseur Brian De Palma. Met zijn Redacted (hetgeen zoveel betekent als ‘klaargemaakt voor publicatie’, ofwel een eufemisme voor censuur) wil hij zichtbaar maken wat volgens hem niet in de normale media te vinden is over de oorlog in Irak: met reportages van Amerikaanse en Arabische zenders, websites van extremistische groeperingen, YouTube-filmpjes en een videodagboek van een soldaat die naar de filmacademie wil, componeert hij een keihard betoog tegen de misstanden in Irak. Nep, maar alle elementen uit de film heeft De Palma kunnen vinden via internet, stelt hij.

Googelen, dat kan een doorsnee bioscoopbezoeker natuurlijk ook, dus echt nieuw zijn De Palma’s beelden niet. Amerikanen hebben blijkbaar gewoon geen behoefte aan die andere blik. Waarom dat is, houdt de media in de VS al maanden bezig. Ze zijn de oorlog spuugzat, denken vooral de liberale media. ‘Amerikanen willen niet alleen weg uit Irak, ze hebben al helemaal geen zin om er in een bioscoop over na te denken’, schreef The New York Times. Bezoekers gaan juist naar de bioscoop als vlucht uit de werkelijkheid, is de achterliggende gedachte. Een conservatiever standpunt is dat het publiek de films ‘onpatriottisch’ vindt. Wie wil er nu een anti-oorlogsfilm zien, terwijl de soldaten aan de andere kant van de wereld onze vrijheid verdedigen, valt herhaaldelijk te horen op de televisiezender Fox.

Dat laatste argument heeft de filmhistorie aan zijn zijde. Het was totnogtoe ongebruikelijk dat anti-oorlogsfilms worden uitgebracht terwijl de gevechten nog dagelijks plaatsvinden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Vietnam-oorlog werden er weliswaar films en documentaires over de oorlog gemaakt, maar die hadden vooral tot doel de regeringslijn te onderstrepen en de moraal hoog te houden, zoals The Green Berets (1968). In de Koude Oorlog gaf Hollywood het publiek een ontlading van de spanning die in de lucht hing door de communisten dan maar filmisch te verslaan, in actie- en spionagefilms als die over James Bond. De kritische films over Vietnam, het gedrag van Amerikaanse soldaten daar en het effect op hun verdere leven, zoals Deer Hunter, Apocalypse Now en Platoon, werden jaren ná de oorlog gemaakt (respectievelijk in 1978, 1979 en 1986), toen de problemen met een zekere afstand bekeken konden worden.

Toch hoeft een gebrek aan afstand in tijd niet de enige oorzaak te zijn voor de lege zalen bij de meest recente anti-oorlogsfilms. Michael Moore maakte in 2004 Fahrenheit 9/11, een documentaire waarin hij Bush en de oorlogen in Afghanistan en Irak met zijn bekende botte bijl aanpakt en was daarmee bijzonder succesvol.

Er is dan ook een andere afstand waarmee de speelfilms lijken te worstelen, namelijk die tussen realiteit en fictie. Vrijwel alle anti-oorlogfilms zijn geïnspireerd door ware gebeurtenissen en verhalen daarover vanuit een persoonlijke invalshoek: In the Valley of Elah is gebaseerd op een verhaal over een Amerikaanse soldaat die werd vermoord door zijn maten, nadat ze zich in Irak schuldig hadden gemaakt aan gruwelijkheden. De dingen die de opgepakte moslim uit Rendition meemaakt, zijn overgenomen uit de verhalen van echte onschuldigen die in een geheime gevangenis belandden. Redacted is gebaseerd op de verkrachting en moord op een 14-jarig Irakees meisje uit Al-Mahmudiyah door vijf Amerikaanse soldaten. Stuk voor stuk incidenten die door de enorme hoeveelheid media steeds vaker naar buiten komen, maar ook gemakkelijker door iedereen gecontroleerd kunnen worden.

Het is vooral Redacted, de film die in Venetië beloond werd met een Zilveren Leeuw, die daardoor in een lastige spagaat kwam. Omdat De Palma het realisme benadrukt door het gebruik van geënsceneerd maar gruwelijk archiefmateriaal, schurkt het beangstigend dicht tegen de werkelijkheid. Nog meer zelfs dan zijn eigen Casualties of War (1989), dat gebaseerd was op een soortgelijk waargebeurd incident in Vietnam. Afgezien van de minuscule details die De Palma veranderde om rechtzaken te voorkomen, is er een opmerkelijk punt waarmee de film verschilt van wat er in het echt gebeurde: het einde. In Redacted wil het leger eigenlijk niet naar de klokkenluider luisteren, in werkelijkheid hebben de schuldigen uiteindelijk flinke straffen gehad.

Deze vrijheid die hij zich permitteerde was voor De Palma logisch: het past in het verhaal dat hij als filmmaker wil vertellen. Hij wilde laten zien hoe dit soort misstanden in oorlogen na Vietnam ondanks alle films en berichtgeving nog steeds plaats vinden. En dat het moeilijk is om een dergelijke zaak voor een rechter krijgen. ‘Iedereen wil het eigenlijk toedekken en vergeten’, zei hij in filmblad Variety.

Tegenstanders zien dat anders: alleen al op basis van interviews met De Palma trekken ze de conclusie dat hij de werkelijkheid manipuleert om een zo negatief mogelijk beeld te schetsen van de soldaten in Irak. Propaganda dus. De Palma wordt beschuldigd van landverraad.
 
De conservatieve radiopresentator Michael Medved noemde de film de afschuwelijkste die hij ooit had gezien. ‘Hij portretteert het Korps Mariniers, een van de beste organisaties in de geschiedenis, als een stel corrupte, slechte, racistische moordenaars en verkrachters.’ De website boycottredacted.com vindt dat de regisseur daarmee de vijand in de kaart speelt en de Amerikaanse troepen direct in gevaar brengt. Zouden de reacties net zo fel zijn geweest als de handelingen van de soldaten volledig aan de fantasie waren ontsproten? Als De Palma de werkelijkheid niet zo dichtbij had laten komen?

Andere films lopen door de nadruk op een zo realistisch mogelijke verbeelding tegen een ander probleem aan. Als de hoeveelheid aan verschillende media iets hebben duidelijk gemaakt, is het dat de werkelijkheid alleen bepaald wordt door de blik waarmee je kijkt. Genuanceerde films die alle standpunten uitlichten, blijken echter gemakkelijk te verzanden in prekerige dialogen met zoveel mogelijk voors en tegens, zo toont Lions for Lambs. Leuk voor een discussieforum, maar niet beeldend genoeg voor cinema.

Films die wél de nadruk leggen op entertainment, roepen kritiek op omdat de verhoudingen wel erg simplistisch worden geschetst. Een voorbeeld daarvan is de actiefilm The Kingdom, waarin een team van specialisten de daders van een terroristische aanval in Saoedi-Arabië moeten oppakken. Saoedi’s zijn er ofwel gematigd of zelfmoordterrorist.

Toch zit daar tussen de explosies en schietpartijen wel degelijk een genuanceerde boodschap verstopt over geweld dat alleen maar meer geweld uitlokt, maar de spanningsboog en actie wordt er niet minder door. Bovendien staat het een enigszins bevredigend einde niet in de weg: uiteraard weet het Amerikaanse team de terroristische cel wel op te rollen. Het minst realistisch, en het meest succesvol in de bioscoop.

Misschien zijn Amerikanen daar inderdaad wel gewoon op zoek naar vermaak. Maar misschien ook komt de boodschap van de anti-oorlogfilms door het gebrek aan afstand in tijd en realiteit te dichtbij. Het zijn films die willen engageren, die niet alleen de blik dwingen, maar ook individuele actie en dialoog prediken. Maar hoe of wat, dat laten de films open. De realiteit is immers altijd complexer dan een Hollywoodfilm. De voor- en tegenstanders van de oorlog in Irak staan niet zo recht tegenover elkaar als bijvoorbeeld ten tijde van Vietnam. Wie tegen de oorlog is, hoeft nog niet tegen het leger te zijn. En nee, geweld lost niets op, maar de films bieden geen alternatief. Aan het einde van In the Valley of Elah hangt de hoofdpersoon de Amerikaanse vlag verkeerdom op. ‘Kom ons redden, betekent dat internationaal’, zegt hij. ‘Wij weten het ook niet meer.’

Die verwarring en ambiguïteit maken deze films kennelijk onaantrekkelijk voor het grote publiek. Maar dat wil niet zeggen dat ze oninteressant zijn. Want in al hun confuusheid weerspiegelen ze precies de crisis waar de Verenigde Staten zich nu in bevinden.

ADVERTENTIE