Stilte speelt een hoofdrol in het oeuvre van de Zuid-Koreaanse regisseur Kim Ki-duk. Zo draait zijn veertiende film om een vrouw die niets meer zegt tegen haar overspelige echtgenoot. Op de televisie hoort de vrouw, Yeon, over de ter dood veroordeelde Jin Jang, ook al zo zwijgzaam, die een zelfmoordpoging heeft begaan om zijn executie voor te zijn. Spontaan besluit ze hem te bezoeken. ‘Naar de gevangenis’, zegt ze tegen de taxichauffeur. Het zijn de eerste woorden die ze spreekt, de film is dan al tien minuten bezig.
Toch blijkt Breath af te wijken van zijn voorgangers. Voor Kims doen blijkt de hoofdpersoon opmerkelijk spraakzaam. Yeon vertelt in de gevangenis uitvoerig over de verdrinkingsdood die ze als kind bijna stierf. Maar hoeveel Yeon ook prijsgeeft van zichzelf, Jin Jang luistert slechts aandachtig. Hun eerste toenadering eindigt woordloos: zij houdt haar hoofd bij de spreekgaatjes in het glas, en hij trekt voorzichtig een haar los die hij koestert alsof het om een hele lok gaat.
Vanaf dat moment blijkt elke scène een precieze variatie op een vorige. De dialoog blijft uiterst spaarzaam, het camerawerk toont geen centimeter te veel in de veelal statische kaders. Elk beeld vindt in de film zijn weerklank. De lamellen voor de ramen van Yeons woning lijken op tralies, de kentekenplaat van de auto van haar echtgenoot is nagenoeg identiek aan Jin Jangs gevangenisnummer.
Twee keer laat Yeon een frisgewassen hemd van haar man op straat vallen, en het verschil tussen beide scènes spreekt boekdelen: in de eerste gooit ze het kledingstuk weg, in de tweede spoelt ze het schoon. Het hoort allemaal bij Kims beproefde methode om zijn verhaal vooral visueel te vertellen.
Maar toch weet Kim ook wat dat betreft te verrassen. Bij Yeons volgende gevangenisbezoek wordt er opeens niet alleen gesproken, maar ook gezongen. Yeon ontmoet Jin Jang in een aparte ruimte die ze met eigenhandig gefabriceerd behang heeft versierd. Tegen een achtergrond van boterbloemen, een strand of herfstrood bos brengt ze hem charmante serenades, begeleid door karaokedeuntjes op de taperecorder. Na elk liedje geeft Yeon meer van zichzelf prijs; op de eerste aanraking volgt een kus, en zo verder.
Die scènes vormen het emotionele hart van de film, bedrieglijk licht en ontroerend als ze zijn.
Uiterst breekbaar zijn ze bovendien: de gevangenisdirecteur (Kim zelf) observeert alles met de beveiligingscamera’s, en bepaalt met een druk op de knop hoe ver de romance gaat, of wat we ervan te zien krijgen. Alsof Kim op zijn macht als regisseur wil wijzen.
Dat past bij een film die thematisch sterk op eerder werk leunt. Alweer een ongelukkig echtpaar en spirituele gevangenisscènes à la Bin-jip (2004). En net als in Spring, Summer, Fall, Winter... and Spring (2003) volgt het verhaal de jaargetijden. Met The Bow (2005) deelt Breath de soms goedkope symboliek. Maar dat zijn kanttekeningen. Vind maar eens een andere film waarin liefdesliedjes, wankele woorden, kakelbont behang en broze stiltes elkaar zo mooi in evenwicht houden.