Op papier heeft The Children of Huang Shi een hoop te bieden. Een meer dan redelijke cast, opnames op prachtige locaties, een nog weinig verfilmde gruwelijke oorlog op de achtergrond (Japan-China eind jaren dertig), en op de voorgrond een persoonlijke geschiedenis, met een even heroïsche als dramatische afloop – deels nog waar gebeurd ook.
De jonge Brit George Hogg (Jonathan Rhys Meyers) – Oxford, journalist, avonturier – reist af naar de brandhaard en fotografeert hoe Japanners bosjes Chinezen executeren. Hogg gaat daarbij weinig handig te werk, wordt ontdekt en bijna onthoofd.
De Chinese nationalist Chen (Chow Yun-Fat) weet hem nét op tijd te redden. Niet dat het helpt, want korte tijd later moet de naïeve jongen weer gered worden, dit maal door een knappe blonde verpleegster (Radha Mitchell). Zij leidt Hogg naar een verwaarloosd weeshuis en voorziet hem van een nieuw levensdoel: zorg ervoor dat de zestig Chinese kinderen de oorlog overleven en onderwijl ook nog wat opsteken.
Tegen die tijd is The Children of Huang Shi echter al ernstig ingezakt. De Canadees Roger Spottiswoode, die eerder de Bond-film Tomorrow Never Dies regisseerde, doseert de wendingen in zijn vertelling zo matig, dat elke diepgang verloren gaat. En zo wil het episch bedoelde The Children of Huang Shi maar niet episch worden. Het script – deels geschreven door de biograaf van de echte Hogg – helpt ook niet mee: in potentie kleurrijke karakters worden opgezadeld met toneelmatige dialogen; te stijf en te uitleggerig.
The Children of Huang Shi ademt een westerse blik, en zou baat hebben gehad bij een volwaardige, of enigszins gelaagde Chinese (bij)rol. Visueel komt de film wel tot zijn recht. Het camerawerk, van Xiaoding Zhao, imponeert.