Veel suffer dan Stanley Phillips kan een Amerikaanse man niet zijn. Pafferig gezicht, moeizaam loopje. Werkzaam in een non-descripte winkel in een buitenwijk. Afgekeurd voor het leger vanwege zijn ogen, die schuilgaan achter het lulligst denkbare brilmontuur. En dan ook nog eens de enige man in de plaatselijke praatgroep voor partners van militairen die zijn uitgezonden naar Irak. Want: zijn vrouw maakt wél deel uit van het Amerikaanse leger.
Debuterend regisseur James C. Strouse, die ook het script van Grace Is Gone schreef, wil maar aangeven: Phillips, gespeeld door John Cusack, is geen stereotype Amerikaanse held. Na die wat cartooneske, maar voldoende verwachting oproepende introductiescènes, dient het drama zich aan in Phillips leven. Twee mannen in uniform bellen aan – een van de twee is een legerpriester – en vragen of ze binnen mogen komen. Ze hebben geen goed nieuws, over zijn vrouw.
Wat volgt, is het beste deel van de film. Statisch, zonder veel poespas en al te zichtbare emoties, verbeeldt regisseur Strouse de abstractie van het leed, dat te groot is om te bevatten. En zo is Cusack als Phillips even gevrijwaard van al het overacteren. Uren na het bezoek van de militairen zit hij nog steeds in dezelfde houding op de bank. En wanneer zijn dochters Heidi (12) en Dawn (8) thuiskomen van school, besluit hij het slechte nieuws uit te stellen. Eerst wil hij ze nog een paar vrolijke dagen bezorgen. Wat ze ook maar willen, hij zal het regelen. Dochter Dawn voelt wel wat voor bezoek aan een pretpark, aan de andere kant van Amerika. En zo verwordt Grace Is Gone tot een emotioneel beladen roadmovie.
Omdat de dramatische afloop van de film volkomen vastligt (vroeg of laat heeft Phillips een en ander uit te leggen), gaat het vanaf nu om de reis. En die stelt teleur. Al vanaf de eerste schematische ontmoeting met de bebaarde, werkschuwe broer van Phillips, die netjes de anti-oorlogs- en anti-Bush sentimenten mag vertolken. Ook een veelzeggend bedoeld, maar verplicht aandoend vader-dochter moment, mist raffinement.
En Cusack, doorgaans op zijn best in ingetogen rollen, belandt met zijn spel dieper en dieper in een emotionele spiraal, die door regisseur Strouse extra wordt aangezet met tokkelende gitaar- en pingelende pianomuziek.
Aan de dochters ligt het niet: Shélan O’Keefe (Heidi) en Gracie Bednarczyk (Dawn) kunnen goed getimed en aanstekelijk kibbelen. Toch lijkt ook hun aandeel in de film ver voor het einde, en ver voor het pretpark, wel vervuld. Vertel het ze nou maar, denk je dan.