Saro Scordia – leren jas, schakelketting – groeit op in Palermo, als zoon van een in de cel omgekomen crimineel. Een plaatselijke maffiabons neemt hem onder zijn hoede en hij hangt rond met diens onhandige en verwende zoon Mimmo. Samen doen ze hun eerste klusjes. En gaandeweg blijken de aanvankelijk glasheldere misdaadcodes van de zelfbenoemde ‘mannen van eer’, minder en minder waard te worden.
En anderhalf uur later, aan het einde van de film Il Dolce e l’Amaro, beziet hoofdpersonage Scordia zijn nieuw verkregen saaie burgerleven, na zijn snelle klim én neergang binnen de Siciliaanse maffia. ‘Gelukkig gebeurt er steeds iets onverwachts’, concludeert Scordia, waarna er – uiteraard – weer iets onverwachts voorvalt. De uitspraak zou het motto van de film kunnen zijn.
Il Dolce e l’Amaro is opgetrokken uit dezelfde bouwstenen als het gros van de maffiafilms, maar regisseur Andrea Porporati voorziet elke verplichte scène (de afrekening, de initiatie, het verraad) van een subtiele draai. Soms wreed, maar veelal droogkomisch. Zoals tijdens een bijna mislukte bankoverval, waarbij de Turijnse bankbediende het platte Siciliaans van de maffialeden niet verstaat, totdat een klant helpt tolken.
Regisseur Porporati, die tevens het scenario schreef, spot ook fijntjes met het katholieke geloof van de Italiaanse criminelen, die devoot en overtuigd tot Maria bidden, voor de goede afloop van een aanslag. Toch verwordt het realistisch gefilmde Il Dolce e l’Amaro (het zoet en het bitter) geen moment tot parodie of slapstick. Daartoe is het hoofdpersonage Scordia ook te gewelddadig, en te lastig te duiden. Als hij al lijkt te worstelen, dan is het hooguit met de uitkomst van zijn daden, en niet met de daden zelf.
Met hoofdrolspeler Luigi Lo Cascio (bekend uit het epos La Meglio Gioventù) strikte regisseur Porporati exact de juiste acteur. Lo Cascio, geboren Siciliaan, doet met zijn onderzoekende blik en enigmatische spel denken aan de jonge Al Pacino en Dustin Hoffman, die van vóór het overacteren.