Naomi Kawase filmde The Mourning Forest in een overweldigend bos. De acteurs speelden er een maand lang, zonder sturend scenario. ‘Als ik wilde dat ze een bepaald traject zouden volgen, wierp ik barrières op, zonder dat het al te veel in het oog liep.’
‘Als mijn oma geen alzheimer had gekregen, had ik waarschijnlijk nooit een film over dit thema gemaakt. Door haar kreeg ik belangstelling voor het onderwerp. Ze heeft de film nog wel gezien, vlak voor haar dood, maar ze was toen al te ver heen om er nog iets over te kunnen zeggen.’
In The Mourning Forest (Mogari no mori) richt de Japanse filmmaakster Naomi Kawase zich op de bijzondere band tussen de 70-jarige, dementerende Shigeki en de jonge verpleegster Machiko. Hij is nooit over de dood van zijn vrouw heen gekomen. Haar verdriet is minstens zo groot; haar man en zoontje zijn recent verdronken.
Op de 33ste sterfdag van zijn vrouw – het jaar waarin volgens het boeddhisme de ziel definitief naar het hiernamaals vertrekt – besluit Shigeki haar graf voor de laatste maal te bezoeken. Op een uitje ontsnapt hij aan de aandacht van Machiko en trekt hij het oerbos in. Zij volgt, uit plichtsbesef, maar geleidelijk voelt ze dat de dwaaltocht hen beiden kan helpen hun rouwproces af te sluiten.
Het sprookjesachtige, smaragdgroene bos waarin Shigeki en Machiko verdwalen, is niet ver van Kawases woonplaats Nara. ‘Toen ik mijn film opnam, zat ik met een grootmoeder die erg ziek was en een kind van twee jaar oud. Dus was het belangrijk een locatie dicht bij huis te vinden. Ik kon er met de auto in twintig minuten zijn. ’s Ochtends bracht ik mijn zoontje naar de crèche en mijn grootmoeder naar het verzorgingshuis, aan het eind van de dag haalde ik ze weer op.’
Het is bijna niet voor te stellen dat de keuze enkel voortkwam uit praktische overwegingen, zo overweldigend en betekenisvol oogt de locatie. ‘Toch is het zo’, beweert Kawase. ‘Maar vervolgens ben ik natuurlijk wel gaan nadenken hoe ik die prachtige theevelden en oerbossen het beste in mijn film kon integreren; hoe ik het zomers groen, de wind en het ruisen van het gras kon gebruiken om iets uit te drukken.’
De natuur rondom haar geboorteplaats speelt een hoofdrol in bijna al de (autobiografische) films en documentaires van Naomi Kawase (Nara, 1969). Vanaf haar eerste films – korte documentaires met titels als I Focus On That Which Interests Me en The Concretization of These Things Flying Around Me (beide uit 1988) – vormt haar jeugd in Nara de belangrijkste inspiratiebron. In 1997 maakt ze haar eerste speelfilm, Suzaku, over een meisje dat door haar grootmoeder wordt opgevoed (in Cannes bekroond met de Camera d’Or voor het beste debuut). Drie jaar later volgt Hotaru (‘vuurvliegjes’), waarin hetzelfde meisje naar de stad vertrekt en in een stripclub gaat werken. In Shara (2003) moet een gezin de dood van een kind zien te verwerken.
The Mourning Forest, vorig jaar op het festival van Cannes onderscheiden met de Grote Juryprijs, is net als de drie voorgangers geen gemakkelijke film: het tempo is laag en de vertelwijze anders dan doorgaans in de bioscopen te zien is. Veel plot is er niet; Kawase laat het drama grotendeels buiten beeld en blijft vaak lang hangen in scènes waarin schijnbaar weinig gebeurt.
Ze werkt zonder een compleet uitgeschreven scenario. ‘Het verhaal zat in grote lijnen in mijn hoofd. Ik wist dat Shigeki en Machiko zouden verdwalen in een bos met een rivier, en dat ze aan het einde van de film op een grote boom zouden stuiten, waarachter een graf verborgen lag. Verder lag er eigenlijk niets vast. Ik ben een maand in het bos geweest met de acteurs, en heb het aan hen overgelaten wat er gebeurde. Als ik wilde dat ze een bepaald traject zouden volgen, wierp ik barrières op, zonder dat het al te veel in het oog liep. Ik heb er strikt op toegezien dat de film in chronologische volgorde werd opgenomen. Ik wilde namelijk niet dat de hoofdrolspelers acteerden. Ze moesten de tocht door het bos aan den lijve ervaren, zelf ervaren wat er met hun personage aan de hand is.’
Om te onderstrepen dat de scheidslijn tussen feit en fictie dun is, luisteren de hoofdrolspelers naar hun eigen naam. Machiko Ono speelde eerder al in Suzaku; Shigeki Uda speelde nooit eerder in een film. ‘Voor de vrouwenrol heb ik audities gehouden. Voor de mannenrol niet. Ik kende Shigeki omdat hij mij zijn huis had uitgeleend voor de opnamen van Shara. Hij wist dus zo’n beetje hoe ik te werk ga. Dat scheelde: ik hoefde hem niet al te veel uit te leggen. Ter voorbereiding heeft hij drie maanden tussen de alzheimerpatiënten geleefd.’
Zelf verdiepte ze zich in het boeddhisme. ‘Mijn generatie is nog enigszins vergroeid met het boeddhisme; de rituelen maken deel uit van ons dagelijks leven. Voor een aantal scènes heb ik echter veel research moeten doen. Die zijn niet alleen voor westerlingen moeilijk te begrijpen, maar ook voor de jongere generatie in Japan. De rituelen die je in de film ziet, bestaan alleen nog in afgelegen bergdorpen. Als er in andere delen van Japan iemand overlijdt, komt er ook gewoon een begrafenisondernemer langs.’
Na Shara wilde Kawase eigenlijk een grootsteedse film maken over Japanse pubers, die volgens haar steeds gewelddadiger werden en steeds vaker in de misdaad belandden. Ze veranderde van gedachten. ‘In Japan zijn zware misdaden en moorden door jongeren en tieners bijna dagelijkse kost geworden. Het is echt angstaanjagend. Als ik daar een film over maak, krijgen mensen alleen maar meer angst voor de boze buitenwereld. In mijn films wil ik een positievere boodschap brengen. Ik wil het publiek zich een beetje beter laten voelen – ook al stel ik de wereld dan misschien rooskleuriger voor dan die is.’
Het Filmmuseum organiseert t/m 30 oktober een retrospectief rond Naomi Kawase: een bijna compleet overzicht van haar oeuvre, inclusief enkele vroege korte documentaires die niet eerder te zien zijn geweest in Nederland.