‘Wat willen jullie hier in hemelsnaam met een bruidsschuur? Hier trouwt toch niemand meer.’ Ann-Kristin Reyels maakt het de hoofdpersonages van haar regiedebuut niet gemakkelijk. Eerst geeft ze de zestienjarige Lars en zijn pas gescheiden vader een droom om te verwezenlijken – een mooie boerderij waar mensen hun huwelijk kunnen vieren – en vervolgens plant ze hen aan het einde van de wereld. Een onvriendelijk gehucht op het Duitse platteland, om precies te zijn.
Dat dorp wordt door Reyels als een verzameling van uiterst eenzame plekken getoond: de verlaten landweg, het station waar nauwelijks treinen stoppen, de sjofele friettent die dienst doet als buurthuis, het bevroren meer waar niemand schaatst en de rotonde waar geen auto komt, terwijl de lichtjes van de kerstboom in het midden toch maar zijn aangezet. Maar Jagdhunde is niet alleen een trefzekere, tragikomische schets van pastorale eenzaamheid; het is ook een film over de liefde die in zulke troosteloze filmdecors altijd weer voorzichtig de kop op weet te steken. Op het station ontmoet Lars Marie, de dove dochter van de snackbareigenaar, en graag laat hij zich door haar meeslepen naar een huisvrouwenkerstkransje. Wat dansen, een borreltje en een gezellig potje pingpong later, zie je een koppeltje dat zich niet zomaar door de uitgebluste volwassenen om hen heen zal laten scheiden.
Jagdhunde, profiterend van twee geweldige jonge acteurs, ontroert en betovert zolang Reyels zich vooral op Lars en Marie richt. Het gaat mis wanneer tante Inge de nieuwe scharrel van Lars’ vader blijkt, en mama opeens voor de deur staat met haar piepjonge minnaar. De film verandert dan steeds meer in een absurdistische soap vol geforceerd pijnlijke situaties; Lars en Marie schuiven naar de achtergrond.
Daarmee verliest de film veel van zijn oorspronkelijke frisheid. Het is alsof het clichérijke getob en gekat van de probleemvolwassenen alle energie eruit zuigt. Wat dan bijblijft is de uitgebalanceerde eerste helft, en verder enkele gedenkwaardige scènes. Zoals dat flirterige pingpongen, waarbij je met het balletje heen en weer over de tafel zwiept, van Lars’ gezicht naar dat van Marie, het beeld dromerig onscherp, geel en groen. Of hoe ook de film telkens aan het draaien, wiegen en zweven slaat wanneer die twee bij elkaar kruipen in de schommelstoel bij het meer. Op zulke momenten blijkt Reyels een talent om goed in de gaten te houden.