Het moet de ongezelligste pub van Ierland zijn waar het tragikomische Garage om de zoveel tijd neerstrijkt. Op doorsnee-avonden hangt steeds hetzelfde droeve viertal aan de bar, terwijl de rest van het café leeg en donker blijft. De mannen mopperen tegen elkaar of maken anderen belachelijk; een aangenaam samenzijn wil het maar niet worden.
Al helemaal niet voor Josie, het hoofdpersonage van de film. In zijn eentje beheert deze zwakbegaafde veertiger het lokale tankstation, waar hij een dagtaak heeft aan het verslepen van het olieflessenrek en slechts sporadisch een klant krijgt. Josie komt aanvankelijk over als de typische dorpsgek, maar dat beeld trekt grotendeels bij naarmate je hem en zijn trieste omgeving beter leert kennen. Dat ligt aan Pat Shortts sublieme, gelaagde vertolking, maar ook aan het script, waarin Josies gebrek aan intelligentie en sociale onhandigheid steeds minder zwaar gaan wegen. Belangrijker is de diepe eenzaamheid waaraan niet alleen hij, maar het hele dorp tenonder gaat.
Regisseur Abrahamson bouwt zijn portret van een afstervende gemeenschap beheerst op. Hij stipt de moeizame verhoudingen tussen de dorpelingen hoogstens aan, en presenteert hun treurige lot als een gegeven. De eenzaamheid heeft hier zijn eigen routine gekregen: wie de mannen zoekt, moet naar het café, en voor de jongeren kijk je bij het vervallen huisje aan het spoor.
Het hart van dit kleine meesterwerk, waarin veel minder gezegd wordt dan er te zien valt, is de even onwaarschijnlijke als oprechte vriendschap tussen Josie en de 14-jarige slungel die hij als knecht krijgt toegewezen. Opeens heeft hij iemand om een biertje mee te drinken, of andere mannendingen mee te doen. Prachtig zoals die twee daar dan zitten, op hun klapstoeltjes, de blik op de zonsondergang. Kon dit maar zo blijven, wens je, net zo stil en voorzichtig als de film zelf.