In Das weisse Band moeten twee kinderen van hun vader een wit lint dragen als ze iets verkeerd hebben gedaan. Om hen te herinneren aan hun plicht zuiver en onschuldig te blijven. Maar ondertussen is het natuurlijk ook een vorm van publieke vernedering – zo kan iedereen in het kleine dorp zien dat ze hebben gezondigd.
Het is keurig verpakte wreedheid – zoals alles in het universum van de Oostenrijkse regisseur Michael Haneke kan worden omschreven. Het protestantse dorpje in 1913 dat hij portretteert ziet er op het oog netjes uit: een kerk in het midden, keurige mensen, kinderen spreken met twee woorden. Maar als het paard van de dokter struikelt over een onzichtbare draad die tussen twee bomen gespannen is moet iemand dat toch op zijn geweten hebben.
Natuurlijk is Das weisse Band, in Cannes dit jaar bekroond met de Gouden Palm, geen echte whodunit. Met eerder werk als Caché of Funny Games in het achterhoofd weet je dat Haneke geïnteresseerd is in iets heel anders, iets groters. De geheimzinnige gebeurtenissen die het dorp teisteren en steeds verder gaan, brengen de ware aard van de bewoners aan het licht. Machtswellust, bekrompenheid en sadisme maken onderdeel uit van hun natuur, het hoeft alleen maar te worden opgeroepen door de onvermijdelijke frustraties die gepaard gaan met fysieke repressie en sociale ongelijkheid. God wordt misbruikt om voor eigen rechter te spelen, waarbij mensen die het niet direct aangaat, wegkijken. Paranoia, angst en wraakzucht verspreidt zich als een virus.
Bij Haneke is menselijkheid niet meer dan een laagje vernis, waarbij hij gretig aan de craqueléring krabt. ‘Misschien kan het een aantal gebeurtenissen in dit land verklaren’, zegt de jonge schoolmeester die het verhaal vertelt aan het begin. Alle scènes in Das weisse Band, zwanger van onderhuidse dreiging en razend knap geacteerd, maken deel uit van de complexe constructie van oorzaken en gevolgen van menselijk gedrag die volgens Haneke het fascisme van een vruchtbare bodem voorzag.
Niemand komt er zonder kleerscheuren vanaf – zelfs de kinderen niet. Al geeft Haneke lichtpuntjes, misschien wel meer dan ooit: het jongetje dat tegen al het eigen belang in zich over een gewond vogeltje ontfermt. De schoolmeester zelf met zijn jonge geliefde, een symbool voor onschuld. Of zit het toch anders? De schoolmeester vertelde immers aan het begin van de film, als het beeld langzaam uit het zwart opdoemt, dat het verhaal zijn herinneringen zijn, aangevuld met ‘horenzeggen’. Die waarschuwing is makkelijk vergeten door Hanekes bedrieglijke heldere presentatie – met zijn strakke stilering in zwart-wit, met kadreringen waarbij de vingers zijn af te likken en het sturende gebruik van licht suggereert hij lang een eenduidige visie op de gebeurtenissen. Bewijst Haneke daarmee niet hoe gemakkelijk een beschuldigende blik te manipuleren is?
Het is het topje van de ijsberg: de volle omvang van die gelaagdheid van Das weisse Band is moeilijk in een keer te bevatten. Achteraf, nog dagen later, valt opeens weer iets binnen dat alles in een ander licht zet, een andere betekenis geeft, nieuwe verdachten aanwijst. Dat is het knappe: Hanekes werk weet film te overstijgen.