Vorig weekeinde al feestelijk ingeleid tijdens de grootste Nederlandse première uit de geschiedenis, in Leeuwarden. In aanwezigheid van de kroonprins, die ook wel weer eens gewoon leuk in het nieuws wilde komen.
Goed getimed ook, zo'n nostalgische schaatsfilm, net nu het vriest. En dan, na al het ge-Hosanna, de film. Die begint met de onthulling van een schaatsstandbeeld, in aanwezigheid van enkele schaatsers die 18 januari 1963 de legendarisch barre Elfstedentocht uitreden. Dit is écht gebeurd, benadrukt regisseur Steven de Jong. En dan glijden we over het ijs zijn schaatsepos binnen. Daar rijdt een jongen pardoes een wak in, wellicht geschrokken van de
plots buitensporig sterk aanzwellende filmmuziek. Zijn vriendin blijft jammerend achter.
En met die verhoogde dramatische inzet laat De Jong zijn film een jaar vooruit springen. Het is een dag voor de tocht der tochten, en we leren de hoofdpersonages kennen; ontslagen Kees (Chris Zegers), gedeserteerde soldaat Henk (Cas Jansen), armlastige boerenzoon Sjoerd (Lourens van den Akker), en iets meer op de achtergrond, verpleegkundige Annemiek (Chava voor in 't Holt) - het meisje dat haar vriend onder het ijs zag verdwijnen. Elk van hen zal de tocht schaatsen, en onderweg het nodige aan privébeslommeringen verstouwen. Daarmee lijkt alles aanwezig voor Oudhollands winterdrama, zoals beloofd in trailer en ondertitel ('ontbering, wilskracht en liefde'). Maar De Hel van '63 is niet die film.
Regisseur, producent en scenarist Steven de Jong (De Kameleon, De Scheepsjongens van Bontekoe) zet de toon met een reeks bijrollen: van een schmierende Dirk Zeelenberg als Telegraaf-verslaggever, die continu de rayonhoofden dwars zit, tot Cees Geel in een schreeuwrol als legerofficier, die een film lang achter zijn soldaat Henk aanjaagt. Je hoopt nog even dat de belegen humor en meligheid geen vat krijgt op de schaatsstrijd, maar het wordt nog veel erger. De Jong weet zich geen raad met de mozaïekstructuur van zijn scenario: hoe breng je die schaatsers bijeen?
Ach, je laat ze gewoon in een menigte zomaar tegen elkaar laten zeggen: 'misschien kunnen we met z'n vieren door'.
Tenenkrommend is het spel van Zegers als de overenthousiaste schaatser Kees, die een onbedoeld komisch duo vormt met Jansens soldaat. Opplaksneeuw op de wangen, dichtgevroren ogen en dialogen als: 'Henk, niet doen. Je moet geen sneeuw eten, je hebt hongerklop.'
Tegelijk lijkt De Jong - druk in de weer met galmende muziek - zich niet te realiseren dat hij een schaatsparodie regisseert. Om de ontberingen extra kracht bij te zetten, tovert hij een weerwolf uit de digitale trukendoos; een grommende windvlaag met tanden die schaatsers zo nu en dan omver blaast. Niet grappig bedoeld.