Zoals vaker in het werk van Jean-Pierre Jeunet (Delicatessen, Le fabuleux destin d'Amélie Poulain) speelt toeval ook in Micmacs à Tire-Larigot (vrij vertaald: veel problemen) een voorname rol. Weinig filmmakers is het gegeven om met zoveel zwier en vaart de grootst mogelijke onwaarschijnlijkheden aaneen te kunnen rijgen als de Fransman.
Hier wordt ene Bazil (een rol van Dany Boon, uit de Franse monsterhit Bienvenue chez les Ch'tis) getroffen door een bizar lot. Jeunet flitst door diens jeugd: vader wordt de lucht in geblazen tijdens het demonteren van een landmijn in de Marokkaanse woestijn, moeder draait door, en zoontje Bazil belandt in een tehuis.
Vele jaren later treffen we hem weer aan, werkzaam als baliemedewerker in een videotheek te Parijs. Tot een verdwaalde kogel hem volkomen onverwacht midden in het hoofd treft, maar niet doodt. Artsen gooien een muntje op, en kiezen ervoor de kogel laten zitten, met het risico dat de patiënt voortaan elk moment kan neervallen. En dan zwerft Bazil over straat, zonder werk of woning.
De vanzelfsprekendheid waarmee Jeunet het allemaal opdient houdt wel even stand, maar kan niet verhullen dat Micmacs na die wervelende opening overgaat in een wat rommelig bijeen geregisseerd werkje. Alsof niemand de noodzaak zag van een echt scenario. Wanneer Bazil wordt opgenomen door een troep straatartiesten, trekt een stoet aan wonderlijke personages voorbij, maar Jeunet neemt de moeite niet om in zijn karakters te investeren. Zolang hij z'n slangenvrouw en levende kanonskogelman maar kan opvoeren in tal van net iets te flauwe situatiegrappen, is het al best.
Scherper getypeerd, en ook noodzakelijker voor de vertelling, zijn de megalomane zakenlui uit de wapenindustrie, tegen wie Bazil het in detective-stijl opneemt wanneer hij ontdekt dat zij het wapentuig construeerden dat zijn leven zo ontwrichtte. Gewichtige mannen in pak met rare hobby's, zoals het sparen van lichaamsdelen van historische figuren.
Micmacs, dat continu knipoogjes maakt naar de klassieke jaren veertig detective The Big Sleep van Howard Hawks, kent amusante momenten als licht verteerbare, mild maatschappijkritische spionagefarce, maar is te los gestructureerd om echt doel te treffen. Ook Jeunets op zich voortreffelijke decorkunst doet hier vaak loos aan. Leuk, dat die straatartiesten van alles bijeen knutselen uit straatafval, maar van geen nut voor de vertelling.
Het levert filmscènes op die je graag als extra op een dvd aantreft; best genietbaar, maar niet noodzakelijk en daarom beter te schrappen. Micmacs is het werk van een begaafd filmer die zich er te makkelijk van af maakt.