Michael Moore hijst zijn imposante armen omhoog, vouwt ze beide achter zijn hoofd, in een soort stretchhouding, en leunt triomfantelijk achterover in zijn stoel. Hij heeft zijn werk gedaan, wil hij maar zeggen. Nu is het aan zijn landgenoten, de Amerikanen. Die moeten gehoor geven aan zijn oproep om het Amerikaanse systeem neer te halen. Voor minder doet de filmer het dit keer niet. ‘Wie de woorden anti en Bush googlet, treft mijn fotoportret aan. En ik ben moe. Moe dat ik die foto ben. Ik kan niemand redden. Niemand zal ons redden. Barack Obama kan ons ook niet redden. Ik krijg honderden e-mails per week, mensen die me smeken: doe dit, doe dat. Doe het voor ons Mike! Vertel dit verhaal Mike! Ik kan ze niet eens antwoorden, zoveel zijn het er. Capitalism: A Love Story is een collectief antwoord op hun vragen. Jij moet in beweging komen. Jij moet je kandidaat stellen. Jij moet films gaan maken. Don’t ask Mike what he can do for you! En als ze actief worden, dan sluit ik me bij ze aan. En dan maak ik ook weer een volgende documentaire, over wat het ook is waar we dan een volgende film over moeten maken. Zo niet, dan heb ik thuis een fictiescenario liggen, en dan stort ik me daar op. Maar daar wil nu nog niet over praten.’
In zijn jongste filmpamflet zet ’s werelds invloedrijkste documentairemaker nog één keer zijn lancet in het moreel en financieel failliet verklaarde thuisland Amerika, dat ondanks de met een Nobelprijs bekroonde wisseling van de presidentiële wacht, onverminderd in gijzeling wordt gehouden door het grootkapitaal. Een magnum opus, is de 126 minuten lange film al genoemd, een culminatie van twintig jaar persoonlijk gedreven, virtuoos gestileerd docu-activisme. Zoals altijd, bij Moore, die een begeleidend ‘15-stappen plan’ op zijn website michaelmoore.com heeft geplaatst, gaat de boodschap voor de kunst. Maar hij beschouwt zich wel degelijk als een kunstenaar. ‘Waarschijnlijk zelfs meer dan al die andere termen waarmee ze me omschrijven. Toen ik voor dit vak koos, ging het me om filmkunst. Wat maakt een echte goede film? Met de politiek hoef ik me tijdens het maakproces niet bezig te houden – dat gaat vanzelf. Maar de effectiviteit van mijn film, hoe ik ervoor kan zorgen dat meer mensen ’m zien, dat houdt me continu bezig.’
Een echte liefhebber van de documentaire is hij nooit geweest. ‘Ik vond ze altijd wat saai. Oude dingen herhalen, dat interesseerde me niet. En nog steeds raak ik niet heel opgewonden van de vorm waarin de meeste documentaires worden gegoten.’
Als hij werkt, neemt Moore zich continu voor om géén documentaire te maken, maar een bioscoopfilm. ‘Die perceptie is essentieel voor hoe ik scènes construeer. Ik hoop ook dat ik me nog steeds ontwikkel als filmer, ik denk daar in elk geval veel over na. Wat er bij mij uitziet alsof het zich zo voltrekt, is vooraf zeer goed uitgedacht.’
De moeilijkste te verkrijgen sequentie in Capitalism: A love Story – en een cruciaal element in de film – is een historische speech van Franklin D. Roosevelt uit 1944, waarin de oud-president een ‘second bill of rights’ voorstelt voor zijn fellow Americans, met daarin op te nemen het recht op redelijk betaald werk, medische zorg en educatie. Roosevelt vond dat de constitutie en de eerste bill of rights de gelijke kansen van Amerikanen onvoldoende waarborgden. Moore werd verteld, onder meer door de Roosevelt-familie, dat de speech niet op film was vastgelegd, omdat Roosevelt ziek was die dag, zodat men besloot het slechts voor radio op te nemen. ‘De meeste documentairemakers zouden op dat punt, als zelfs de familie zegt dat de fragmenten niet bestaan, hun zoektocht staken. Ik niet. Ik heb mijn archiefploeg door het hele land gestuurd, en in South-Carolina was het raak: in een onbeschreven doos in een archief lagen de opnames – ter plekke wist niemand er van. Ruw materiaal van een historische speech van Roosevelt, geen Amerikaan heeft het ooit gezien. Het was kwijt, en is destijds niet of slechts onvolledig uitgezonden. Men was ook helemaal niet blij met zijn boodschap, in die tijd.’
Het testpubliek van Capitalism: A Love Story huilde bij het zien van de fragmenten, zegt Moore. ‘Omdat ze zich realiseerden: dit had Amerika kunnen zijn. Alles wat jullie in Europa als iets doodnormaals accepteren, hadden wij dus ook gewoon kunnen hebben.’
Wie Moore vraagt naar alternatieve systemen of ideologieën ter vervanging van het door hem verfoeide kapitalisme, krijgt opgetrokken schouders als antwoord. ‘Ik weet niet veel van socialisme, ik heb nooit iets van Marx gelezen. Het is eerder een kwestie van kernwaarden. Ik weet niet of jullie dat socialisme noemen, maar in Europa gaat men er vanuit dat – houd je vast Amerika – iemand die ziek is het recht heeft een dokter te zien. Waarom geloven jullie dat wel? Waarom betalen jullie voor mensen die ziek worden? Denken jullie soms dat jullie beter zijn dan de Amerikanen?’ Moore verwerkte ook zijn katholicisme in Capitalism: A Love Story, waarin priesters voorbijkomen en de vraag wordt opgeworpen of kapitalisme geen zonde is, en of Jezus een kapitalist zou zijn en zich met iets als hedge funds zou inlaten. Moore: ‘Ik houd niet van de katholieke kerk als instituut, en het gaat me niet om de hocus pocus, maar ik ben gelovig en het katholicisme maakt deel uit van mijn leven.’
De film eindigt ironisch met de Internationale, in een speciaal aangepaste versie. ‘Het is een prachtig oud Frans lied, maar het maakt Amerikanen doodsbenauwd. Aan hen is altijd verteld dat het lied gelijk staat aan communisme. Dus ik dacht: ik neem een loungezanger, type jazzbar, en laat hem het croonend voordragen.’
Moore begint zelf lijzig te zingen: ‘The internatiale, babe, it’s for the human race. Workers of the world unite – oh yeah!’
55 is hij geworden, enkele weken geleden. Vandaag schuifelt hij, 35 kilo afgevallen maar nog altijd massief, voetje voor voetje door het hotel des Bains in Venetië, waar hij het ene na het andere interview afwerkt. Zwaar bewaakt, door mannen met oortjes in die permanent aanwezig zijn, ook bij Moore thuis in Michigan. ‘Waarom ja? Dat vraag ik me ook af. Ik ben een filmmaker, en ik woon in een vrij land. Mijn veiligheidssituatie zegt meer over Amerika dan over mij.

De maatregelen drukken zwaar op zijn gezinsleven, erkent Moore, maar verandering bepleiten vanuit een ander oord heeft hij nooit overwogen. ‘Ik ga niet weg. Dat hoeft ook niet. Dit land verandert. Dit land verandert zo snel, dat ze een zwarte man kozen als president. Mooi land.’
Moore wil graag iets kwijt over de krachten die tegen hem in beweging zijn gekomen, vooral sinds hij zich met zijn documentaire Sicko (2007) richtte tegen de gezondheidsindustrie. ‘Kort geleden klapte een vicepresident van een verzekeringsmaatschappij uit de school: er bestaat een goed gefinancierde campagne van verschillende maatschappijen om mij in diskrediet te brengen. De twee speerpunten uit de formulieren die hij onthulde: één, identificeer die journalisten die gewoon alles herhalen wat wij ze over Moore vertellen. Twee, zorg dat onze lobbyisten tegen congresleden zeggen: we reserveren geld om diegene die zich associeert met Moore, of zijn films, uit het congres te krijgen bij de volgende verkiezingen. Zo serieus zijn ze. Voor een film! Voor een film en een filmmaker. Daar sta ik tegenover, een goed gefinancierde machine.’
En dus, benadrukt Moore, moet het publiek elk negatief nieuws over hem wantrouwen. ‘Zo lees ik overal dat ik een huis bezit op Fifth Avenue op Manhattan. Ze creëren doelbewust een soort fictieve Michael Moore, door nepberichten naar buiten te brengen. Het gekke is, dat jullie journalisten niet door hebben wanneer jullie worden gevoed. Het komt binnen via de tamtam, door de algemene graanschudder, wordt opgepikt en herhaald en wordt zo vanzelf een soort waarheid. Dat is heel vreemd om mee te maken.’
Zo ook het hardnekkige gerucht dat Roger Smith, de CEO van General Motors, die Moore in zijn veelgeprezen debuutfilm Roger & Me (1989) keer op keer niet te woord wilde staan, destijds wél zou hebben ingestemd met een interview. ‘Dat zit ook in die hate Michael Moore-film. Wow, dacht ik toen: ze verzinnen gewoon complete realiteiten. Bizar, wanneer je de waarheid kent, want die leef ik namelijk. Ze schreven ook dat ik die scène uit Bowling for Columbine, waarin ik een gratis geweer krijg als ik een bankrekening open, geënsceneerd zou hebben. Hoe is dat mogelijk? Heb ik soms eerst een rek geweren achter de toonbank gehangen? Alles verliep precies zoals je het in de film ziet, in één take opgenomen.’
Alle feiten in zijn films kloppen, benadrukt Moore. De enige kritiek waar hij het ooit mee eens was? ‘Dat ik eens per jaar een film moet maken in plaats van eens in twee of drie jaar’. En recensies leest hij niet. ‘Ik vind het niveau van de filmkritiek zeer teleurstellend.’
Maar hij staat open voor commentaar. ‘Kom maar op.’ Goed. Misschien zoomt hij in Capitalism: A Love Story net te lang in op zielige, huilende Amerikaanse kinderen. Moore, fijntjes glimlachend: ‘Ja, ik weet dat jullie Europeanen je daar aan storen, omdat jullie niet van emotionele cinema houden. Nou, wij zijn Amerikanen en wij huilen. Je mag zo’n scène niet vergelijken met de emoties van reality televisie. Die zijn nep en dit is echt. Dat huilende kind heeft een moeder verloren, en kwam er achter dat Walmart verdient aan haar dood. Dat is echt.’
De allergrappigste kritiek, zegt Moore, is toch die dat hij zelf rijk is geworden van het opkomen voor arme mensen. ‘Mensen van rechts, mensen met geld, denken dat ze mij zo in diskrediet kunnen brengen: door me te verwijten dat ik nu ook geld bezit. Maar fabriekswerkers die zien dat het me goed af gaat, zeggen niet: o, wat afschuwelijk van Mike. Die zeggen: wow, een van ons is ontsnapt.’
Het geld dat zijn vorige films opbrachten, heeft hij opgespaard. ‘Het is fuck you money, een waarborg voor mijn vrijheid. Als een studiobaas zegt: dit en dit moet uit je film, zeg ik gewoon: nee. En als ze zeggen: dan geen film, zeg ik: woe-hoe! Dan maak ik ’m toch zonder jullie?’
