NFF 2007

Tien jaar geleden overleed Bert Haanstra, de filmer die onlosmakelijk verbonden is met de jaren vijftig en zestig. Zijn werk heeft de tand des tijds niet ongeschonden doorstaan, maar wat een verademing is zijn barmhartige blik.
'Nooit fóep de beweging laten zien. Altijd tak-tak, in twee stille shots. Het moment dat het druppeltje bloed loslaat, tsjak: overnemen. Drie beeldjes later zit het erop. Dat werkt! Dat rode druppeltje bloed op die kaas! Dat geeft altijd een reactie in de zaal.'
Bert Haanstra (1916-1997) was een makkelijk en enthousiast prater, maar hij veerde pas echt op als het over zijn vakmanschap ging. Met groot genoegen lichtte hij zijn werkwijze toe: de montage, de cameravoering, de selectie van beelden.
De shots met het bloed en de kaas zitten in Dokter Pulder zaait papavers, een speelfilm uit 1975. In een gesprek met NPS-interviewer Cees van Ede, jaren later, wist Haanstra levendig uit te leggen waarom hij dat druppeltje bloed, dat van de vinger van hoofdrolspeler Kees Brusse op een schoteltje met kaasblokjes valt, zo in beeld had gebracht en niet anders. Een zwiep met de camera? Nooit. Tak-tak op de montagetafel.
Denk vooral niet dat het weinig uitmaakt hoe dat druppeltje die kaas bereikt. Haanstra, in hetzelfde interview: 'De som der kleinigheden telt enorm. Je kunt wel denken dat niemand het ziet, maar als je een aantal kleinigheden in een film hebt die niet helemaal goed zijn, dan telt dat in het totale oordeel.'
Het zijn karakteristieke woorden uit de mond van een cineast die met zijn perfectionisme, zijn grote technische kennis en zijn meesterlijke intuïtie verantwoordelijk was voor een aantal van de populairste Nederlandse films aller tijden. Fanfare (1958) en Alleman (1963), Haanstra's grootste publiekstrekkers, staan nog altijd in de top 10 van best bezochte Nederlandse films. Ook in het buitenland had hij succes: Haanstra won talloze internationale filmprijzen, waaronder een Oscar voor de korte film Glas (1958).
Veel van zijn films raakten in de loop der jaren in vergetelheid. Een groot aantal festiviteiten moet daar dit najaar - tien jaar na Haanstra's overlijden - verandering in brengen. Een retrospectief en een seminar tijdens het Nederlands Film Festival, de uitgave van een dvd-box met zijn complete oeuvre, een festival in Overijssel, een documentaire en een biografie zullen licht werpen op de vraag hoezeer het werk van Haanstra de tand des tijds heeft doorstaan.
Dat is geen gemakkelijke vraag. Hoeveel films hij later ook nog maakte, Haanstra's naam blijft onlosmakelijk verbonden met het Nederland van de jaren vijftig en zestig, de tijd van wederopbouw, verzuiling en groeiende welvaart. Een klein maar dapper Nederland, vol hardwerkende lieden die doordeweeks strijd leverden tegen het water en op zondag naar de kerk gingen. Die hun stoepjes schoonhielden en zich op het strand op kuise wijze achter een handdoek omkleedden.
'Dit kleine waaierige land met veel meer wolken en veel meer water dan grond om op te staan', klinkt het in Alleman, een met verborgen camera's opgenomen documentaire over de aard van Nederland en de Nederlanders. De beelden van zwemmende, werkende, feestende en schaatsende mensen, begeleid door mild-ironisch commentaar van Simon Carmiggelt, lijken met beitel en houweel in het collectieve geheugen gehakt. Zo was ons land, toen. Kneuterig, ordelijk en knus.
Het kwam de regisseur vanaf de rebelse jaren zeventig op kritiek te staan. Die kneuterigheid, die straalde af op zijn films. En was zijn beeld van Nederland wel scherp genoeg? In documentaires als Alleman en En de zee was niet meer (1955) is Haanstra's blik misschien al te welwillend. Bovendien: nostalgie had geen goede naam meer.
Maar Alleman laat ook zien waar Haanstra zo goed in was. Tientallen uren aan filmmateriaal bracht hij op zijn montagetafel terug tot negentig minuten, met het ritmegevoel en de precisie van een ervaren musicus. Als geen ander kon hij doseren. Al zijn films, legde hij later uit, volgden een curve waarin humor en ontroering, lawaai en stilte, beweging en rust elkaar op vloeiende wijze afwisselden. En dat allemaal in de wellustig rijke zwartwitfotografie van cameraman Anton van Munster.
Zeldzame schoonheid is ook te vinden in documentaires als Spiegel van Holland (1950), Zoo (1962), Delta phase 1 (1962) en De stem van het water (1966). Prachtig gecomponeerde shots, gemonteerd op het scherpst van de snede. Kernachtige observaties van menselijk gedrag. En dan die prachtige natuur - Haanstra kende de mooiste plekjes van Nederland.
Het superieure vakmanschap springt nog altijd het meest in het oog, maar ook de afwezigheid van cynisme is opvallend. Haanstra mikte op herkenning, niet op wrijving of onrust. Het was een bewuste keuze; shockeren vond hij te gemakkelijk. Het lag ook niet in zijn aard, want het liefst maakte hij de mensen aan het lachen, en de schoolmeester in hem wilde dat ze er ook nog iets van opstaken.
Beide neigingen kregen in de loop van zijn carrière soms iets dwangmatigs, zoals in Bij de beesten af (1972), de eerste in een serie wetenschappelijk geïnspireerde dierenfilms waarin grappen en interessante weetjes elkaar verdringen. In een ander leven was hij het liefst gedragswetenschapper geworden, vertelde Haanstra wel eens. Hij was er bij uitstek geschikt voor.
Hoewel hij er ongelooflijk veel zorg en aandacht aan besteedde - voor de opnamen van Bij de beesten af reisde hij tweeënhalf jaar de wereld over, en hij werkte maandenlang onafgebroken aan de montage - behoren Haanstra's dierenfilms niet tot zijn beste werk. Het geldt ook voor zijn speelfilms, met uitzondering van Fanfare.
De lauwe ontvangst van zijn latere films liet de regisseur niet onberoerd. Na het mislukte De zaak M.P. (1960), een komedie waarin Ko van Dijk en Albert Mol vergeefs voor Belgen proberen door te gaan, maakte hij vijftien jaar lang geen speelfilm meer. Dokter Pulder zaait papavers, over de midlifecrisis van een bedaarde plattelandsarts, was een geslaagde comeback, maar de twee speelfilms die hij daarna maakte, flopten allebei.
Nu ook die minder bekende titels opnieuw te zien zijn, blijkt dat zelfs de mislukkingen lang niet slecht zijn. Haanstra's perfectionisme leidde ertoe dat er ook in een film met een onevenwichtig scenario als Een pak slaag (1979) genoeg moois valt te ontdekken. Toch is het niet waarschijnlijk dat de aanstaande retrospectieven de waardering voor zijn oeuvre op zijn kop zullen zetten.
Haanstra was nu eenmaal op zijn best als de filmer van wapperende schone was aan de waslijn, van spelende kinderen op klompen, van boten, dijken, deltawerken en klederdracht. En hij was meer dan de chroniqueur van ons cultureel erfgoed. Altijd portretteerde hij het goede en kwetsbare in de mens, zelfs toen hij al lang de tijdgeest tegen had. Ook vandaag nog ligt het voor de hand om zijn optimistisch humanisme voor naïviteit te verslijten.
Het zou onterecht zijn. Fanfare laat precies zien hoe ongewoon het is geworden om zonder ironische distantie naar de personages in een verhaal te kijken. Het is voor de moderne filmkijker even wennen, al die goedgemutste kluchtigheid over de onderlinge strijd binnen een fanfarekorps in pittoresk Giethoorn. Maar al gauw brokkelt de weerstand af, en zit er niks anders op dan oprecht meeleven en meelachen met de stuntelende dorpsbewoners.
Haanstra sloeg zelf twintig jaar na dato de spijker op zijn kop. 'Fanfare is natuurlijk een klein tikkeltje verouderd', zei de regisseur toen. 'U zult er wat momenten in aantreffen die we nu anders zouden maken. Maar wat blijft, denk ik, is een soort frisheid, toch ook wel een spiegel van die tijd, de vijftiger jaren. Nu is alles veel agressiever. Fanfare gaat wel over een ruzietje, maar 't is een heel gemoedelijk ruzietje.'
De frisheid van Fanfare is een welkome bries in een tijd dat zelfs feelgoodmovies vol zitten met nare karakters, keiharde grappen en cynische terzijdes. Terugverlangen naar het kraakheldere, overzichtelijke Nederland van Haanstra's films leidt nergens toe, maar het is geen slecht idee om zijn barmhartige blik in ere te herstellen. Niet voor niets zag Simon Carmiggelt in Haanstra de ideale anti-oorlogsfilmer. Zonder het bewust te willen, schreef Carmiggelt in 1963 in de boekuitgave van Alleman, maakte Haanstra van iedere film een zachtmoedig manifest. Omdat je, na het zien van al dat dwaze menselijke gedoe, alleen maar kunt denken: 'Dit mag nooit worden vernield. Dit moet altijd zo doorgaan.'
In het programmaonderdeel In the Picture Bert Haanstra besteedt het NFF aandacht aan de regisseur, met de vertoning van zijn films, van de film Over Haanstra (regie Rolf Orthel, première 27 september) en met een symposium op 2 oktober.