Toy Story 5: niet essentieel, wel weer bijzonder leuk

Animatiefilm van Pixar vanaf 17 juni in bioscoop

Still uit de film Toy Story 5
  • Rick de Gier

In de vijfde Toy Story-film gaan de vertrouwde speelgoedhelden de strijd aan met digitaal entertainment. Spreken de makers zich hierin uit tegen verslavende technologie? En in hoeverre draagt deze geliefde reeks überhaupt een ideologische boodschap uit?

Toy Story (1995) is een topfilm, Toy Story 2 (1999) is nóg beter, en Toy Story 3 (2010) is een van de beste films ooit gemaakt. Een betere filmtrilogie bestaat eigenlijk niet – nou ja, op de Dollars-trilogie van Sergio Leone na. Deze mening verkondigde Quentin Tarantino de laatste jaren in diverse interviews. De cineast vertelde ook nog dat hij Toy Story 4 (2019) weigert te bekijken, omdat het verhaal wat hem betreft al perfect werd afgesloten in het derde deel. De Pixarstudio, een dochterbedrijf van Disney, zou de reeks puur uit commerciële motieven hebben voortgezet.

Dat de maker van bikkelharde films als Pulp Fiction en Kill Bill zo hoog opgeeft van deze familiefilms is misschien verrassend, maar helemaal terecht. Veel beter dan Toy Story wordt het animatiegenre inderdaad niet: de films zijn niet alleen grappig en aandoenlijk, maar ook knap verteld, technisch baanbrekend en werkelijk geschikt voor jong en oud. Wel is Tarantino’s rechtlijnigheid wat overdreven: Toy Story 4 was geen noodzakelijke toevoeging, maar bewees toch overtuigend dat deze personages nog lang niet over hun houdbaarheidsdatum heen zijn.

Hetzelfde kan worden gezegd over de vijfde film, die deze week in de bioscoop verschijnt: niet essentieel, wel weer bijzonder leuk. De nieuwe episode onderscheidt zich bovendien met een hoogst actueel thema: de vertrouwde speelgoedhelden krijgen concurrentie van een op jonge kinderen gerichte tabletcomputer. In het promotiemateriaal voorafgaand aan de film werd deze Lilypad gepresenteerd als de schurk van het verhaal, die de jeugd alle lust tot fantasiespel ontneemt. Dat stemde bij voorbaat al nieuwsgierig: mengt Pixar zich in de discussie over kindonvriendelijke technologie? Stelt de studio, zelf pionier op het gebied van digitaal geanimeerd schermvermaak, zich hier behoudend op? In hoeverre draagt deze reeks überhaupt een ideologische boodschap uit?

Lilypad in Toy Story 5, met op de achtergrond Buzz Lightyear en Woody
© The Walt Disney Company Benelux

Nostalgie

De spanning tussen oud en nieuw, tussen nostalgie en vooruitgang, is sowieso van meet af aan al een hoofdthema in de Toy Story-films. De verhalen zitten tjokvol personages, maar ze draaien vooral om Sheriff Woody, een ouderwetse, wat autoritaire cowboypop (met de stem van Tom Hanks) die zich steeds opnieuw moet verhouden tot veranderingen. Hierdoor ligt het enigszins voor de hand de films te beschouwen als parabels over de Amerikaanse cultuur – over de clash tussen conservatieve en progressieve waarden.

Hoe zat het ook alweer? In de eerste film wordt Woody geïntroduceerd als de favoriete pop van het jongetje Andy. Wanneer Andy voor zijn verjaardag een flitsend nieuw actiefiguur krijgt, de astronaut Buzz Lightyear (ingesproken door Tim Allen), raakt Woody in paniek. Is hij nu achterhaald? Raakt hij zijn positie kwijt als Andy’s favoriet en leider van al het andere speelgoed?

In Toy Story 5 dreigt elk stuk analoog speelgoed zijn bestaansrecht te verliezen. Het verhaal heeft apocalyptische proporties aangenomen.

In de latere films keert deze onzekerheid steeds in andere vormen terug. Zo ontdekt Woody in deel 2 dat hij een vintage verzamelobject is, waar een museum veel geld voor overheeft. Ergens vindt hij dat best aanlokkelijk: in een vitrine is hij tenminste veilig, vrij van slijtage, beschermd tegen kritiek. Maar ja, is dat nog wel leven?

In de derde film is de existentiële crisis compleet: Andy gaat studeren en laat zijn speelgoed achter in zijn ouderlijk huis. Tot hun ontzetting worden Woody en co gedoneerd aan een kinderdagverblijf, dat een regelrechte gevangenis blijkt te zijn. Op het nippertje vinden ze een nieuw thuis bij de kleuter Bonnie. Maar Woody blijft in zijn hart een cowboy, die zo veel verandering niet aankan. Daarom besluit hij in de vierde film zijn vrienden te verlaten en in het wild te gaan leven.

Eigenlijk is de thematiek van Toy Story 5 dus heel vertrouwd. Alleen is het speelveld vergroot. Ditmaal dreigt niet alleen Woody maar élk stuk analoog speelgoed zijn bestaansrecht te verliezen. Het verhaal heeft apocalyptische proporties aangenomen. Zoals de poppen het zelf hysterisch zeggen: ‘The age of toys is over!

Buzz Lightyear en Woody in Toy Story 5
Buzz Lightyear en Woody in Toy Story 5
© The Walt Disney Company Benelux

Beklemmend

Op zich is zo’n doemscenario niet eens uitzonderlijk in een familiefilm. Hoeveel blockbusters zijn er niet waarin een compleet land of volk nét niet wordt weggevaagd? Toch weet Pixar zo’n gegeven beklemmender te maken dan gebruikelijk in dit genre. Eerder bleek dat bijvoorbeeld in Wall-E (2008), waarin de aarde zo hevig is vervuild dat mensen massaal in enorme ruimteschepen zijn gaan wonen. De robots in die film gedragen zich menselijker dan de lethargische, vetgemeste aardbewoners.

Zó somber is Toy Story 5 niet geworden. Toch weet de nieuwe film een vergelijkbaar gevoel van melancholie op te roepen. De vrolijke grapjes en actiescènes kunnen niet verbloemen dat hier iets fundamenteels wordt aangekaart. Akelig herkenbaar zijn de beelden van groepjes kinderen die allemaal wezenloos naar hun eigen schermpje zitten te staren.

Evengoed overheerst uiteindelijk, zoals in elke Toy Story-film, een voorzichtig gevoel van optimisme, of laten we zeggen: relativering. Zoals de behoudende Woody ooit leerde samenwerken met de moderne Buzz, zo moeten de fysieke speelgoedfiguren begrip kweken voor hun virtuele tegenhangers. Fantasiespel sterft heus niet zomaar uit, al moet het tegenwoordig helaas wel actief worden gestimuleerd.

Toy Story 5 werd geschreven en geregisseerd door een duo: Pixarveteraan Andrew Stanton, die ook betrokken was bij alle eerdere delen (en die tevens Wall-E regisseerde), en jong talent McKenna Harris. Die laatste vertelt in filmblad Variety dat er in het creatieve team veel discussie was over de precieze rol van ‘schurk’ Lilypad. ‘Veel mensen binnen de studio vonden dat zij puur slecht moest zijn. Maar het was heel lastig om de juiste balans te vinden, want die apparaten roepen bij iedereen zulke gemengde gevoelens op. Uiteindelijk bleek die insteek gewoon te kort door de bocht. We raken nu eenmaal nooit meer van dit soort apparaten af. Ik zal altijd een telefoon hebben waar ik een beetje verslaafd aan ben. Dus het leek ons het beste als het speelgoed ook met die nuance moest leren omgaan.’

Beklemmend

Wie de Toy Story-films bekijkt als maatschappelijke parabels kan er dus een nuchtere, verzoenende boodschap uit halen. Of je nu links- of rechtsgeoriënteerd bent, de enige weg vooruit is acceptatie en samenwerking – zoiets. Een nobele, urgente, en ook wel wat gezapige moraal: why can’t we all just get along?

Gelukkig werken de beste Pixarfilms op meerdere niveaus. Zo zou je de eerste Toy Story ook best kunnen duiden als een zelfbewuste fabel over de filmwereld, waarin Buzz Lightyear de rol van Pixar speelt, het kleine softwarebedrijf dat Hollywood onverhoeds op z’n kop zette met een nieuwe, toekomstgerichte manier van films maken.

Maar het mooist is deze serie toch als reflectie op het leven zelf. Zoals Pixar in Inside Out emoties onderzocht, in Coco de dood en in Soul de ziel, zo wordt hier ingezoomd op identiteit en vergankelijkheid. Woody’s behoudzucht komt ten diepste voort uit de angst om zichzelf te verliezen. Wie is hij nog als het kind hem vergeet of ontgroeit? Wat stelt vrijheid voor als je geen levensdoel meer hebt? Waarom kan het ongestoorde hier en nu niet eeuwig duren? In dit licht is de Toy Story-reeks verwant aan het meditatieve werk van cineasten als Ozu, Miyazaki, Sorrentino en Linklater. De tijd spaart niets of niemand, suggereren de films, en dat kun je maar beter aanvaarden.

Haast ondraaglijk intens wordt deze waarheid verbeeld in een veelbesproken scène uit Toy Story 3, waarin de poppen op een vuilnisbelt in een verbrandingsoven belanden. Terwijl ze onverbiddelijk richting het vuur worden geduwd, pakken ze elkaars handen vast en proberen zich met hun lot te verzoenen.

Zware kost voor een familiefilm. Maar ook zeldzaam aangrijpend. Dat heeft Quentin Tarantino heel goed gezien.